|
Laatste bijwerking: zondag 21 maart 2010 16:24 |
De Wederkomst van de Here Jezus zeer nabij. Deel 3.
Ter inleiding.In het eerste deel over de Wederkomst sprak ik over het belang van het jaar 1948. In het tweede deel schreef ik over mijn twijfels over het belang van dat jaar 1948. En in dit derde deel, moet ik toegeven dat het jaar 1948, toch belangrijker is dan onbelangrijk. Want het gaat er dus weer eens niet om wat Melle belangrijk vindt! Een wijze les voor mij persoonlijk. Dit is een pittig stuk, maar met mogelijk zeer grote consequenties en sluit mijns inziens zeer, zeer nauw aan bij deel 1. En dit deel zal zeker nog een vervolg krijgen, want het is naar mijn gevoel niet af. Maar nu al zo interessant, dat ik het u niet wil onthouden. In het vorige deel schreef ik dit. Het Woord zegt gewoon dat wij onze tijd zouden verstaan. Met andere woorden: “Weet hoe laat het is!” Ik geloof oprecht dat, dat zo is. De Bijbel staat vol met ‘tijdsleutels’, zodat we zouden weten hoe laat het is op Gods tijdsklok. In dit deel probeer ik iets uit te leggen wat voor mij werkelijk opzienbarend is.
Terug naar beginTijdsleutels voor het Joodse volk.De Bijbel geeft veel tijdsleutels voor wat betreft het Joodse volk. Ik ken er sowieso al drie, maar dat kunnen er ongetwijfeld meer zijn. De vraag waarom er dan tijdsleutels in de Bijbel staan, is omdat de Here wil dat wij weten hoe laat het is op Gods tijdsklok. Een ander, niet onbelangrijk, aspect is dat als de Heer een duidelijk tijdsplan heeft er nooit gesproken kan worden van toeval. De tijdsleutel van de 70 weken. In Daniël 9 lezen we over de 70 weken. Een week is een tijdsperiode van 7 aaneengeschakelde dagen. In Daniël wordt uitgelegd dat deze tijdsleutel betekend dat er 70 perioden van 7 jaren worden berekend. Ook wordt uitgelegd vanaf wanneer men moet rekenen en wat er gebeurd als deze tijdsperiode is afgelopen. Daarom mogen we vaststellen dat deze tijdsleutel misschien wel de belangrijkste is van alle tijdsleutels in de Bijbel. Al meerdere malen heb ik aangegeven dat van deze 70 weken 69 voorbij zijn gegaan en dat er nog 1 week over blijft.
Uit deze tijdsberekening is onomstotelijk aan te tonen dat de Here Jezus precies op het juiste moment, op de juiste plek was, toen de 69 weken eindigden. Niets aan de toeval overgelaten, maar tot op de dag precies voorbereid en uitgevoerd!
De tijdsleutel van de 2520 dagen. De volgende tijdsleutel vinden we ook in Daniël. Dan. 5:25 zegt: Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENÉ, MENÉ, TEKÉL, UPHARSÍN.
Met andere woorden 2520 gera / dagen worden toegekend aan Babel. Deze tijd is exact 7 jaren van 360 dagen, oftewel de exacte tijdslengte van de hele 70ste week van Daniël. Maar ik wil er op wijzen dat zulke tijdsleutels doorgaans op verschillende manieren in vervulling gaan en er dus niet gesproken moet worden dat deze tijdsleutel al vervuld is geworden!
De tijdsleutel van de helft van de 70ste week. In de Bijbel wordt op verschillende plaatsen gesproken over hét synchronisatiemoment dat de eerste helft van de 70ste week voorbij is gegaan en de laatste helft is ingegaan. Matt. 24:15 is zo’n synchronisatiemoment. Daar wijst de Here Jezus Zelf op hét moment dat de eerste helft van de 70ste week voorbij is gegaan en wat het teken zal zijn dat men de laatste helft van de 70ste week zal ingaan. Wanneer gij dan zult zien de gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!) Tijdsleutels kunnen aangeven vanaf wanneer men moet rekenen, of wat men moet rekenen, of hoelang een tijdsperiode duurt en soms deze dingen gezamenlijk.
Terug naar beginDe tijdsleutel in Ezechiël 4.Maar er is nog een tijdsleutel. Deze is misschien wel net zo belangrijk als de tijdsleutel van de 70 weken van Daniël. Er wordt namelijk in Ez. 4 niet alleen gesproken over de tijd voor het Joodse volk, namelijk de 2 stammen, maar er wordt ook gesproken over de 10 stammen, aangeduid met de naam Israël. En de 10 stammen worden aangesproken voor met de naam Israël en staan, bijna de hele Bijbel door, voor de gemeente. Later meer daarover. Voor mijn gevoel hebben we twee tijdsleutels één voor de gemeente, namelijk de sleutel in Ez. 4 en de tijdsleutel voor Juda, de Joden die nu in het land Israël wonen, men leze Daniël 7. Maar nu eerst een het geselecteerde stukje uit Ezechiël 4. Te beginnen met de laatste zin van vers drie, let op! 3 …Dit zij het huis Israëls een teken. 4 Lig gij ook neer op uw linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israëls; naar het getal der dagen, dat gij daarop zult liggen, zult gij hun ongerechtigheid dragen. 5 Want Ik heb u gegeven de jaren van hun ongerechtigheid, naar het getal der dagen, driehonderd negentig dagen, dat gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen zult. 6 Als gij nu deze voleindigen zult, lig ten andere male neer op uw rechterzijde, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen veertig dagen; Ik heb u gegeven elke dag voor elk jaar. 7 Daarom zult gij uw aangezicht richten tegen de belegering van Jeruzalem, en uw arm zal ontbloot zijn; en gij zult tegen haar profeteren. 8 En ziet, Ik zal dikke touwen aan u leggen, dat gij u niet omkeert van uw ene zijde tot uw andere zijde, totdat gij de dagen van uw belegering voleindigd hebt. 9 En neemt gij voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en gierst, en spelt; en doe die in een vat, en maak die u tot brood; naar het getal der dagen, die gij op uw zijde neerliggen zult, driehonderd negentig dagen, zult gij dat eten. 10 Uw spijs nu, die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkels per dag; van tijd tot tijd zult gij die eten.
Ezechiël moet 390 dagen op zijn linkerzijde liggen en 40 dagen op zijn rechterzijde, om de ongerechtigheid te dragen (Ez. 4:4-6). Dus hoelang ligt Ezechiël op de grond? 390 + 40 dagen = 430 dagen. Maar dan komt er iets opmerkelijks. De Here zegt dan tegen Ezechiël dat hij een brood moet bakken en dat hij elke dag daarvan zal eten. Het is eigenlijk te weinig voor een mens, maar net genoeg om niet te sterven van de honger. 9 En neemt gij voor u tarwe, en gerst, en bonen, en linzen, en gierst, en spelt; en doe die in een vat, en maak die u tot brood; naar het getal der dagen, die gij op uw zijde neerliggen zult, driehonderd negentig dagen, zult gij dat eten. Alle producten komen in één vat en geen twee. Het brood dat hij maakt zal gelijk staan aan de dagen hij op zijn zijde ligt, namelijk 390 dagen en vreemd genoeg geen 430 dagen. Maar nu komt het belangrijke. Lees mee: 10 Uw spijs nu, die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkels per dag; van tijd tot tijd zult gij die eten. 20 sikkels per dag zal Ezechiël eten. De sikkels zijn een maat / gewicht. Want 1 sikkel = 20 gera. Mené, Mené, Tékel, Upharsin, stond voor 2520 gera (Dan. 4 of zie hier boven de tijden van Babel). Hier in Ezechiël vinden we 20 sikkels, dat zijn 400 gera. Als de 2520 gera staan voor 2520 dagen, staan hier in Ezechiël de 400 gera voor 400 dagen. Met andere woorden 1 gera staat gelijk aan 1 dag.
De 40 gera / dagen slaan volgens mij op de 40 dagen dat Ezechiël op zijn andere zijde zou gaan liggen. Want daarover wordt verder in dit hele hoofdstuk helemaal géén melding meer van gemaakt. In mijn optiek zie ik de volgende verdeling: Van de 400 gera is er 40 gera overgebleven voor Juda en is er 360 gera voor Israël. De idee is dat we uit moeten gaan van 1 vat, waar 1 brood in wordt gemaakt. Elke dag 400 gera. Elke dag was een jaar (vers 6), met een profetische lengte van 360 gera per jaar, die Israël toe komen en de resterende 40 gera komen Juda dan toe. Dat is een verhouding, namelijk 360 staat tot 40, of 36 : 4 of 9 : 1
Terug naar beginEzechiëls 9 staat tot 1 principe of het tiende deel.De tijdsleutel in Ezechiël 4 geeft aan dat tijdsperiodes voor de Joden een tiende deel zijn van het totaal. In de Bijbel staan veel verschillende tijdsperioden. Neem bijvoorbeeld de 70 weken van Daniël. Het betreft hier een tijdsperiode in de gewone tijdsperiode. De 70 weken van Daniël staan voor een tijdsperiode van 490 jaren. 70 x 7 jaren zijn 490 jaren immers. Als we de 9 : 1 principe uit Ez. 4 toepassen op de 70 weken, dan zou dat betekenen dat de 490 jaren voor Juda staat tot één. Dan is het totaal van de jaren voor ‘Israël’ + het deel van Juda (490 jaren) het tienvoudige van het totaal (9 voor Israël + 1 voor Juda = 10) 4900 jaren. Het deel voor ‘Israël’ is dus 9 x 490 jaar = 4410 jaren.
Ezechiëls principe is: eerst de periode voor Israël, dan de periode voor Juda. En wordt er in Ezechiël 4:10 dit onderschreven, want staat daar hoe er gerekend moet worden: … van tijd tot tijd zult gij die eten. Wanneer moeten we rekenen als het gaat om ‘Israëls’ tijd? Dus wanneer begint de aanvang van 4410 jaren van Israël? Weten we wanneer Israëls tijd voorbij is? Ja, dat weten we, want vanaf het moment dat Juda weer op het wereldtoneel is, is de tijd van Juda begonnen en de tijd van Israël geëindigd. Juda stond weer op het wereldtoneel toen zij werd opgericht in 1948. Ook al is zij Bijbels gezien ongelovig het is een zekere mijlpaal als het gaat om de eindtijd en onze Gemeentelijke toekomstverwachting. Als we van 1948 4410 jaren aftrekken komen we in de geschiedenis uit op het tweede jaar na de zondvloed. Dat jaar is niet zo bijzonder, maar de zondvloed is wel een belangrijk synchronisatiemoment. Want de zondvloed was de eerste eindtijd en vanaf het moment dat de zondvloed voorbij was begon onze huidige tijd. Onze huidige tijdsperiode begon in het jaar 2464 voor Christus. Als we daar de 4410 jaren bij op tellen komen we uit in het jaar 1946 na Christus. Het lijkt net niet te passen. Daarom vergelijken we dit met andere tijdsperioden. En jawel, er is een prima reden, teken, vergelijking dat twee tijdsperioden worden gescheiden door een tijdloos moment. Namelijk Christus Zelf heeft zo’n tijdsperiode gescheiden. Er is een tijdsperiode tot aan de dood van de Here Jezus en de volgende tijdsperiode begint “op de derde dag”, namelijk bij de Opstanding van de Here Jezus Christus. De laatste tijdsperiode is namelijk de tijd dat men kan leven vanuit het Opstandingsleven van Christus Jezus. Dit was voor Zijn Opstanding niet mogelijk! De periode tot Zijn dood, is de periode dat allen in Adam sterven, maar niet in Adam weer kunnen opstaan. Dus als de Here Jezus twee tijdsperiodes scheidde door een moment van “op de derde dag” dan zou dat ook voor de periodes kunnen gelden van Israël en Juda. Want Israël, de 10 stammen zijn een beelddrager van de Gemeente dat leeft uit en door het Opstandingsleven van Christus Jezus onze Heer. Juda daarentegen is altijd een afspiegeling van het oude verbond en de wet en leeft tot op deze dag daar ook naar. Maar goed met de mogelijkheid van de “op de derde dag” komen we, gerekend vanaf het jaar van de zondvloed plus 4410 jaren uit op 1946. 1. 1946 (de eerste dag) 2. 1947 (de tweede dag) 3. 14 mei 1948 (op de derde dag)
Dat zou een verklaring kunnen zijn. Ik realiseer me en onderschrijf dat ook graag, dat de tijdsperiode door elkaar heen lopen. Want Juda heeft weliswaar het grootste deel van de 490 jaren al op zich genomen. Maar er blijven nog 2520 gera of dagen voor Juda over (dat zijn dezelfde 2520 gera voor Babel!(Dan. 4.)) Dat zijn de laatste 7 jaren van de 490 voor Juda. Als we dezelfde principe nemen van 9 : 1 dan komen we op iets anders opmerkelijks. · 2520 gera voor Juda (7 jaren) staat tot 1 · 25200 gera staat voor het totale aantal jaren van Israël en Juda (70 jaren) · 22680 gera voor Israël tot aan de tijd voor Juda, namelijk 63 jaren.
Dit zou kunnen betekenen, dat de tijdsperiode tot aan de laatste week voor Juda, wordt vooraf gegaan door een tijdsperiode voor Israël met een duur van 63 jaar. En mogelijk onderbroken door een “op de derde dag” moment. Het enige dat echt noodzakelijk is voor de laatste, namelijk de 70ste week van Daniël is het bestaan van een Joodse staat. Deze staat is er! Deze is opgericht in 1948 op 14 mei. Het zou kunnen betekenen dat er vanaf de nieuwe tijdsperiode, net als de zondvloed een nieuwe tijdsperiode was, gerekend moet worden. Even verwijzen naar de uitspraak in Ezechiël 4: … van tijd tot tijd zult gij die eten. Dus mogelijk gerekend vanaf de periode 14 mei 1948. Dan zou er een tijdsperiode vanaf dan volgen van 70 jaren in totaal, waarvan de eerste 63 zijn voor “Israël” en 7 jaren voor Juda, het Joodse volk. De Here Jezus is mogelijk ook een beelddrager van dit principe. Hij heeft ongeveer (ik heb het niet exact nagerekend) 9 delen “gewacht” en man geworden en het laatste (één) deel Zijn bediening gedaan aan het Joodse volk.
Terug naar beginBijbelse vergelijking met de tien melaatsen.Komt in de Bijbel een tiende deel voor en zo ja wat is dan de betekenis van het tiende deel? Een schitterend voorbeeld is het verhaal van de genezing van de tien melaatsen. Aan de hand van dit stukje in Lukas kunnen we goed het verschil tussen de ene en de andere negen zien. Luk. 17:11-18 11 En het geschiedde, toen Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galiléa ging. 12 En toen Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, die van verre stonden; 13 En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer! 14 En toen Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelf aan de priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.15 En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde weer, met grote stem God verheerlijkende. 16 En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en deze was een Samaritaan; 17 En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen? 18 En zijn er geen gevonden, die weerkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling? 19 En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden. Hier zien we eerst de tien melaatsen. Zij worden alle tien weggezonden naar de priesters om te laten zien dat zij genezen zijn en onderweg genezen zij ook van hun melaatsheid, zoals de Here Jezus hun had gezegd. De tien melaatsen beelden de twaalf stammen van Israël uit. Hun melaatsheid is een beeld van de zonde en ongeloof, wat hen onrein heeft gemaakt. De tien melaatsen, beelddragers van de twaalf stammen, worden opgeroepen om te geloven in iets wat er nog niet was, namelijk de voorzegde komst van de Messias. Ze worden naar de priesters gestuurd. De Hoge Priester is de Middelaar tussen God en de mens. Dus feitelijk is de oproep om naar Christus Jezus Zelf te gaan en om in Hem te geloven, waardoor er genezing van melaatsheid zal plaatsvinden, dan wel vergeving van zonde zal plaatsvinden. Maar dan komt er scheiding. De ene scheid zich af van de andere negen. Dit is een beeld van de verdeling van de twaalf stammen in de twee stammen en de tien stammen. De hele Bijbel door wordt er aangekondigd dat de twee stammen, die samen Juda genoemd wordt, ongelovig is en tot erkenning zal komen dat de Here Jezus de Messias, de Christus is! Dat de ene melaatse dus terugkomt naar de Here Jezus is het beeld van het Joodse volk (Juda), dat naar de Here zal gaan en tot erkenning zal komen, dat de Here Jezus de Messias is. Deze ene melaatse valt op zijn aangezicht, dankt de Heer en dan staat er dat zijn geloof hem heeft behouden. De Here Jezus vraagt de ene melaatse waar de andere negen zijn. Met andere woorden, waar zijn toch de tien stammen die in de hele Bijbel de Gemeente uitbeelden. Of nog makkelijker: Waar is de Gemeente als het Joodse volk tot geloof komt aan het eind van de 70ste week van Daniël? De gemeente is dan nog steeds bij de Hoge Priester! De Gemeente wordt immers opgenomen vòòr het begin van de 70ste week van Daniël!!! Even dit stukje aanknopen bij de tijdsleutel van Ezechiël 4. Tien melaatsen, verdeeld in negen en één. Negen zijn bij de priester gebleven en daarna komt de ene weer terug om alsnog tot geloof te komen.
Terug naar beginBijbelse vergelijking 9 en 1 van de tien.Naast het verhaal van de tien melaatsen in Lukas 17, komen we deze verdeling, zoals de Schrift die in Ezechiël 4 naar voren heeft gebracht, nog vaker in de Bijbel tegen. Bij de genezing van de tien melaatsen heb ik geprobeerd uit te leggen wie wie is. Probeer eens voor uzelf, met dat in het achterhoofd de volgende stukken te lezen. Een “tiende deel” komt in het oude testament tientallen keren voor met betrekking tot offeren. Offeren is iets wat de priester deed. Aäron, hoge priester van het Oude Verbond is een beelddrager van wat komen moest, namelijk de Hoge Priester van het Nieuwe Verbond, Christus Jezus Zelf. Dit is de offerande van Aäron en van zijn zonen, die zij de HEERE offeren zullen ten dage als hij zal gezalfd worden: het tiende deel van een efa meelbloem, een gedurig spijsoffer; de helft daarvan op de morgen, en de helft daarvan op de avond. Lev. 6:20 Het tiende deel slaat op Juda, namelijk het Joodse volk, maar in het bijzonder het Joodse volk ten tijde van de 70ste week van Daniël. In die tijdsperiode zal ook weer het gedurig offer gebracht worden (Dan 8:11-13 en 12:11) De splitsing in morgen en avond en de helften slaan op het verschil van de eerste helft ten opzichte van de tweede helft van de 70ste week (1 Thess. 5:3). Het opmerkelijke is, dat hier gesproken wordt over “het tiende deel” van een efa. Maar vòòr het boek Leviticus, in het boek Exodus staat dit vers: Een gomer nu is het tiende deel van een efa.(Ex 16:36) Het is toch veel eenvoudiger om te zeggen een gomer meelbloem dan een tiende deel van een efa meelbloem. Dat kan niet anders zo zijn, dan dat dit een betekenis in zich heeft. En dat heb ik net geprobeerd uit te leggen. Het heeft namelijk een betekenis! Dat een “tiende deel”, of “op de tiende” van een maand met offeren in verband gebracht wordt en met grote verzoendag logischerwijs, valt ook nog te lezen in: Ex. 13:3, 29:40, Lev. 5:11, 6:20, 14:21, 16:29, 23:27, 25:9, Num. 5:15, 7:66, 15:4, 28:5,13,21,29 en 29:4,7,10 en 15.
Een ander Schriftplaats dat spreekt over de verdeling van de tien in één en negen, vinden we bijvoorbeeld hier in Nehemia 11. Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien één te doen komen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden. Neh. 11:1 Uiteraard gaat dit om Juda, de Joden die uit de ballingschap terugkeerden naar het land Israël. Maar het is ook een beeld van iets. Namelijk het aardse Jeruzalem is het centrum van de ongelovige Joden die aan het einde van de 70ste week van Daniël tot geloof zullen komen. Één deel hoort in het aardse Jeruzalem, maar de overige negen delen horen niet in Jeruzalem. De tien stammen horen niet bij de heilige stad, maar zijn door de Here verstrooit onder de heidenen en niet meer terug gekeerd en terug gevonden. De reden is mijns inziens, dat de tien stammen één zijn geworden met de heidenen, waar de Here een heel ander plan mee had (zie heel het Nieuwe Testament en bijv. Hand. 15:14). Soortgelijke strekking vinden we ook in Jesaja 6:13, waar wordt gesproken over die ene uit de tien, net als bij de melaatsen, die terug keren. Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal weerkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in welke na de afwerping der bladeren nog steunsel is alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn. Jes. 6:13 Het volgende vers uit Johannes heeft ook een diepere betekenis, als we de verdeling van 9 en 1 kennen. Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven die dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure. Joh. 1:40 Voor mijn gevoel wordt er nog even gauw achter de zin gezegd hoe laat het ongeveer was. Hoe vaak komt dat nou voor. Niet vaak, maar als het voorkomt heeft het bijna altijd een betekenis! Zo ook bij dit vers. Er waren twee discipelen die de Here Jezus zochten. Zij wilden weten waar de Here woonde. De Here Jezus is nu gezeten aan Gods rechterhand in heerlijkheid. In de 70ste week zal men de Messias zoeken en verwachten. En als Christus terug komt zal ieder oog Hem zien. Ze zien dan waar Hij woont, namelijk Zijn Hemelse heerlijkheid. Het tiende uur. Er is dus een periode voorbij gegaan van negen uren waarin men de Here niet zag, maar het tiende uur is niets anders dan de 70ste week, waar de Heer aan het einde daarvan Zijn voeten zal zetten op de Olijfberg. De twee discipelen bleven die dag bij Hem. Petrus schreef al dat één dag is als 1000 jaar. Christus zal die 1000 jaren bij hen zijn, maar omgekeerd natuurlijk ook. Als je weet dat Christus op aarde is, wil je bij Hem zijn. Ook dat is geprofeteerd. In dit stukje is die verdeling van 9 en daarna de ene erg mooi neer gezet. En ook het verborgen aspect dat de negen er wel zijn, maar ook weer niet. Het gaat altijd om het tiende deel, maar die andere 9 zijn er niet. Want hier komt de clue: het negende deel is verborgen op dezelfde manier, zoals de gemeente leeft in de bedeling der verborgenheid (Rom. 1 Kor en Ef).Wordt vervolgd... Terug naar beginHier komen de gegevens over de auteur.
|